- Informatie doorgenomen op de website 'Docent taalbeleid'
- Artikel Een school, drie soorten taalbeleid. Kan dat wel?' (In: Van 12 tot 18, december 2008)
gelezen en samengevat.
- Artikel 'De lat hoog voor vakonderwijs: taalbeleid in de klas via taalgerichte didactiek van Maaike Hajer (In: Vonk, oktober 2008) gelezen en samengevat.
- Handboek taalgericht vakonderwijs (Hajer & Meestringa, 2009).
De paragrafen over context, interactie en taalsteun gelezen en samengevat.
Paragraaf 5.1, 5.2 en 5.3 over toetsen, beoordelen en didactische suggesties bij afronding gelezen en samengevat.
Verslag leerproces:
Herder, H. (2008). ‘Een school,
drie soorten taalbeleid. Kan dat wel?’
In: Van 12 tot 18, 12, pp. 22-25.Samenvatting en persoonlijke toelichting:
De doelen kunnen per school verschillen en de invulling van het taalbeleid hangt samen met de leerling populatie.
1.
Vergroten
maatschappelijke zelfstandigheid van leerlingen
Vergroten expressievaardighede
Tegengaan
schooluitval
2. Behalen betere toets- en
eindexamenresultaten
3.
Compenseren
van taalproblemen om keuzeredzaamheid bij andere vakken te vergroten
Taalbeleid:
-
Mogelijke
bronnen van miscommunicatie over taalbeleid onderkennen
-
Inhoud
(visie, doelen en inhoudelijks uitgangspunten) en proces (uitvoering) scheiden
- Inventariseren van
bestaande ideeën Voor onze school geldt het laatste doel. Net zoals bij de genoemde school de Simon van Hasselt is het geven van taalzorg zeer belangrijk. Naast het vak Nederlands volgen de leerlingen ontwikkelingsuren waarin zij de onderdelen begrijpend lezen, spelling, werkwoordspelling en rekenen op hun eigen niveau krijgen aangeboden. Momenteel zijn we aan het kijken hoe we een invulling kunnen geven aan de woordenschatontwikkeling.
Hajer, H. (2008). De lat
hoog voor vakonderwijs: taalbeleid in de klas via taalgerichte vakdidactiek.
In: Vonk 1, pp. 11-30.
Samenvatting en persoonlijke toelichting:
“Taalgerichte vakdidactiek
is vakonderwijs waarin expliciete vakdoelen en taaldoelen zijn benoemd, waaraan
gewerkt wordt via ene contextrijke didactiek, vol interactie en met taalsteun
vakonderwijs worden geïntegreerd.”(Hajer en Meestringa, 2004)
Het vak Nederlands biedt
een gericht programma en dit wordt aangevuld door de taalontwikkeling in de
andere vakken te bevorderen.
Als leerlingen moeite
hebben met het vereiste taalniveau van een vak, zullen de docenten eigen
oplossingen zoeken om aanpassingen te doen. Een strategie is schooltaal
vermijden en versimpelen. Het nadeel hiervan is dat de leerlingen een
oppervlakkig soort kennis ontwikkelen. Ze reproduceren de definities, maar
kunnen ze niet toelichten met voorbeelden.
Ongemerkt kunnen zich
binnen de school processen van niveauverlaging voordoen.
Inhoudsgerichte
benadering: betekeniscomponent van taal is een geschikte ingang voor
taalonderwijs.
1.
Er
moet een voldoende rijk, begrijpelijk taalaanbod zijn.
2. Er moet gelegenheid zijn tot
taalproductie, praten en schrijven rond de nieuwe begrippen.
3.
Feedback
geven op de productie, leerlingen kunnen zo afleiden of hun uiting begrepen en
correct is of bijgesteld moet worden.
Sinds eind van de jaren
negentig is er gericht gewerkt aan een didactiek om binnen het vakonderwijs de
taalontwikkeling te integreren.
De drie didactische
principes zijn: context, interactie en taalsteun
Startpunt is
expliciteren van de taalaspecten van het vakonderwijs
-
Redeneringen
- Verbanden tussen begrippen
-
Taaltaken
Contexten geven
betekenis aan het leerproces; de leerling kan zich een beeld vormen van de
situatie waarin vakinhouden worden aangeboden.
Interactie, kennis komt
tot stand doordat je er met anderen over praat.
Taalsteun wil zeggen de
hulp bij het begrijpen en zelf produceren van nieuwe taal in het vak.
De volgende vier onderdelen van
taalbeleid zouden samen moeten leiden tot een gerichte aanpak van taal en leren
in de school:
1.
Volgen
taalontwikkeling van de leerlingen vanaf de binnenkomst met als doel de
behoeften en effecten van het onderwijsaanbod in kaart te brengen.
2. Uitwerken sterk curriculum Nederlands
met aandacht voor en een analyse van schoolse
taalvaardigheden.
3. Taalgerichte vakdidactiek in alle vak-
en vormingsgebieden.
4.
Een
gunstig taalleerklimaat scheppen en actieve rol leerlingen bevorderen.
Naast de expliciete
aandacht voor taal is het belangrijk dat de leerling persoonlijke aandacht
krijgt. Als docent zorg je ervoor dat je bewust en op een positieve manier
contact maakt met de leerling en besteed je aandacht aan het werkklimaat.
Taalgericht vakonderwijs
is er niet van de ene op de andere dag. Het vraagt tijd, inzet en energie van
velen in de school.
Wat mij aan het denken zette is het gedeelte waarin aangegeven wordt dat als je de lesstof in alledaagse bewoordingen uitlegt, de kans bestaat dat de leerlingen een oppervlakkig soort kennis ontwikkelen. Ik was me daar niet van bewust. Versimpelen kan dus wel, maar je moet de schooltaal daarbij juist bewust inzetten.
Ook is het belangrijk dat collega's kennis nemen van taalgerichte vakdidactiek. dat zou een eerste stap zijn om uiteindelijk te komen tot een schoolbrede aanpak.
Samenvatting en persoonlijke toelichting:
Veel van wat ik in het boek heb gelezen is bekende stof. Taalsteun geven is iets wat ik dagelijks doe. De paragrafen over interactie uitlokken bij de start en de verwerking en verdieping van de les hebben mij wel wat nieuws opgeleverd. Er staan bruikbare ideeën bij die ik nog niet eerder in een les heb gebruikt. Ook bij het lezen van de verschillende beoordelingsvormen besefte ik dat ik meer variatie zou kunnen toepassen in de beoordelingsvormen bij mijn lessen.
Wat mij aan het denken zette is het gedeelte waarin aangegeven wordt dat als je de lesstof in alledaagse bewoordingen uitlegt, de kans bestaat dat de leerlingen een oppervlakkig soort kennis ontwikkelen. Ik was me daar niet van bewust. Versimpelen kan dus wel, maar je moet de schooltaal daarbij juist bewust inzetten.
Ook is het belangrijk dat collega's kennis nemen van taalgerichte vakdidactiek. dat zou een eerste stap zijn om uiteindelijk te komen tot een schoolbrede aanpak.
Hajer, M. &
Meestringa, T. (2009). Handboek
taalgericht vakonderwijs. Bussum: Coutinho.
3.2.2 Context aanbrengen (de start)
De context oproepen en
aanbrengen door:
1.
Het
onderwerp zichtbaar en tastbaar maken
- gevarieerd lesmateriaal
- vragen oproepen bij leerlingen
- voorwerpen en afbeeldingen bij
bespreking betrekken
-
video/eigen
inbreng interesse opwekken
Je zorgt er hierdoor
voor dat verschillende leerstijlen en intelligenties van leerlingen worden
aangesproken.
2.
Inventariseren
wat leerlingen al weten
- woordspin
- snelschrijfopdracht
- tabel met 3 kolommen; wat weet ik?/wat wil ik weten?/wat heb ik
geleerd?
- oriënteren door te kijken naar titel,
plaatjes, tussenkoppen etc.
- uitspraken over thema; leerlingen
geven goed/fout aan
3. Opfris- en denkvragen geven
- richtvragen stellen
- leerlingen in duo’s vragen laten beantwoorden
- vragen en antwoorden over de leerstof
laten matchen
4. Een lessenreeks inkaderen
- Actualiteit en leven buiten school erbij
betrekken
5. Schema’s gebruiken
- woordweb
- denkstructuren of logische relaties
aangeven in een schema
4.2.1 Context aanbrengen (verwerking en
verdieping)
1.
Aanvullende
informatie verzamelen
- dagbladen
- folders
- interviews
- gasten uitnodigen
- video-opnames en
televisiedocumentaires
- internet
2. Leerlingen inbreng geven in de keuze
van deelthema’s
3. Deelactiviteiten laten samen komen in
gezamenlijke uitwisseling en presentaties
- mondelingen en geschreven verslagen
- demonstraties
-
discussies
(debat)
2.5.1 Leren in interactie
1.
Natuurlijk
gesprek; wederzijdse nieuwsgierigheid en belangstelling
2. Variatie in verwerkings- en
toepassingsopdrachten
- schrijven van korte essays en
gedichten over geleerde
- aanvullen van verhalen
- korte presentaties geven
- schema’s
- uitvoeren van praktische opdrachten
3. Samenwerkend leren
3.2.3 Interactie
uitlokken (de start)
1.
Samenwerkend
leren
- passen en meten; combinaties maken/juiste volgorde vinden
- het snelst, het meest; competitie tussen groepen
- denken, delen en uitwisselen
- raadsels
- genummerde hoofden
- brainstormen
- pars pro toto; elke deelnemer levert deel van -het totaalproduct
- experts
- complexe opdrachten
2. Onderwijsleergesprek
- vraag- en antwoordspel
- wachttijd geven om antwoord te kunnen
bedenken
- verschillend perspectief
4.2.2 Interactie
uitlokken (verwerking en verdieping)
1.
Samenwerkend
leren in groepjes
- positieve wederzijdse afhankelijkheid
- individuele aanspreekbaarheid
- directe interactie
- sociale vaardigheden
- aandacht groepsprocessen
2. Taalspellen in groepjes
- kwartet
- vier op een rij
- rollenspel
- stapelspel
- wat-is-het-spel
- bordspellen
- matchen en puzzelen
- memory en domino
3. Klassikale besprekingen
- begrip controleren
- proces bespreken
- laten nadenken
4.
Hulpgesprekken
met individuele leerlingen
2.5.2 Leren met taalsteun
1.
Voordoen,
laten zien en voorbeelden geven
2. Steun bij testen en opdrachten
- ondersteunende opdrachten
- aanwijzingen of hulp in kantlijn
- verwijzingen naar steun elders
3. Monitoren en feedback geven
4.
Aandacht
leerstrategieën
3.2.1 Taalsteun geven (de start)
Bij de start is het
belangrijk dat je als taalsteun een goed overzicht geeft van de doelen en
werkwijzen in de lessenreeks, dat je de bronnen (zoals teksten) toegankelijk
maakt en dat je het uitbreiden van de woordenschat
Verschillende manieren
van taalsteun bij de start:
1.
Kernbegrippen
2. Sleutelschema’s
3. Vrije tekst schrijven over nieuwe
thema
4. Studiewijzer
5. Ondersteunende feedback
6.
Passende
taalleerstrategieën
4.2.3 Taalsteun organiseren (verwerking en
verdieping)
Bij het organiseren van
taalsteun moet je de begrijpelijkheid van de bronnen en de uitvoerbaarheid van
schrijf- en spreekopdrachten vergroten.
Verschillende manieren
van taalsteun:
1.
Teksten
zo nodig aanpassen
2. Teksten laten verwerken
- instructies bespreken
- aanpak verwoorden
- opdracht verbeteren
- leesvragen geven
- puzzelen met teksten
- teksten op divers niveau
- tekstoverzicht of tekstschema
- informatiebronnen verbinden
- lijst met begrippen, moeilijke woorden
- uitleg toevoegen
3. Visuele weergave en sleutelschema’s
gebruiken
4. Passende leerstrategieën aan de orde
stellen
(schematiseren
analyseren, vereenvoudigen, herhalen, betekenis verlenen etc.)
5. Schrijfkaders gebruiken bij
schrijfopdrachten
6. Opbouwende feedback geven
- bevestigende
- verhelderende
-
verbeterende
5.1 Toetsen en beoordelen in taalgerichte
lessen
Naast de traditionele
vormen zijn er nieuwe vormen van beoordeling. Vaardigheden en reflectie op het
proces krijgen hierbij de aandacht
Verschillende beoordelingsvormen:
1.
Mondelinge
gesprekken
2. Navertellen van verhalen of teksten
3. Schrijfproducten
4. Tentoonstellingen
5. Experimenten en demonstraties
6. Halfopen vragen
7. Docent-observaties
8.
Portfolio’s
5.2 Didactische suggesties (bij afronding)
1.
Lesdoelen
selecteren om te toetsen
2. Beoordelingsvorm of instrumenten
kiezen
- Criteria voor beoordeling: 1 Transparantie
2 Eerlijkheid
3. Vragen , beoordelingscriteria of –schalen
ontwikkelen
4.
Leerlingen
betrekken bij instrumenten
5.3 Waar sta ik? Observatie- en
zelfbeoordelingsschalen
Observatielijst
taalgericht vakonderwijs: de afronding
1.
Samenhangend
en gevarieerd toetsen
2. Leerlingen formuleren zelf
3. Samen beoordelen
4. Voldoende taalsteun
Veel van wat ik in het boek heb gelezen is bekende stof. Taalsteun geven is iets wat ik dagelijks doe. De paragrafen over interactie uitlokken bij de start en de verwerking en verdieping van de les hebben mij wel wat nieuws opgeleverd. Er staan bruikbare ideeën bij die ik nog niet eerder in een les heb gebruikt. Ook bij het lezen van de verschillende beoordelingsvormen besefte ik dat ik meer variatie zou kunnen toepassen in de beoordelingsvormen bij mijn lessen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten