26 maart - 16 april

Wat heb ik gedaan in deze periode?

- Informatie doorgenomen op de website 'Docent taalbeleid'

- Artikel Een school, drie soorten taalbeleid. Kan dat wel?' (In: Van 12 tot 18, december 2008)
gelezen en samengevat.

- Artikel 'De lat hoog voor vakonderwijs: taalbeleid in de klas via taalgerichte didactiek van Maaike Hajer (In: Vonk, oktober 2008) gelezen en samengevat.

- Handboek taalgericht vakonderwijs (Hajer & Meestringa, 2009).
De paragrafen over context, interactie en taalsteun gelezen en samengevat.
Paragraaf 5.1, 5.2 en 5.3 over toetsen, beoordelen en didactische suggesties bij afronding gelezen en samengevat.


Verslag leerproces:


Herder, H. (2008). ‘Een school, drie soorten taalbeleid. Kan dat wel?’
In: Van 12 tot 18, 12, pp. 22-25.

Samenvatting en persoonlijke toelichting:
De doelen kunnen per school verschillen en de invulling van het taalbeleid hangt samen met de leerling populatie.





De verschillende doelen zijn:
1.    Vergroten maatschappelijke zelfstandigheid van leerlingen
Vergroten  expressievaardighede
Tegengaan schooluitval
2.    Behalen betere toets- en eindexamenresultaten
3.    Compenseren van taalproblemen om keuzeredzaamheid bij andere vakken te vergroten

Taalbeleid:
-       Mogelijke bronnen van miscommunicatie over taalbeleid onderkennen
-       Inhoud (visie, doelen en inhoudelijks uitgangspunten) en proces (uitvoering) scheiden
      -    Inventariseren van bestaande ideeën


Voor onze school geldt het laatste doel. Net zoals bij de genoemde school de Simon van Hasselt is het geven van taalzorg zeer belangrijk. Naast het vak Nederlands volgen de leerlingen ontwikkelingsuren waarin zij de onderdelen begrijpend lezen, spelling, werkwoordspelling en rekenen op hun eigen niveau krijgen aangeboden. Momenteel zijn we aan het kijken hoe we een invulling kunnen geven aan de woordenschatontwikkeling.



Hajer, H. (2008). De lat hoog voor vakonderwijs: taalbeleid in de klas via taalgerichte vakdidactiek. In: Vonk 1, pp. 11-30.

Samenvatting en persoonlijke toelichting:
“Taalgerichte vakdidactiek is vakonderwijs waarin expliciete vakdoelen en taaldoelen zijn benoemd, waaraan gewerkt wordt via ene contextrijke didactiek, vol interactie en met taalsteun vakonderwijs worden geïntegreerd.”(Hajer en Meestringa, 2004)

Het vak Nederlands biedt een gericht programma en dit wordt aangevuld door de taalontwikkeling in de andere vakken te bevorderen.  

Als leerlingen moeite hebben met het vereiste taalniveau van een vak, zullen de docenten eigen oplossingen zoeken om aanpassingen te doen. Een strategie is schooltaal vermijden en versimpelen. Het nadeel hiervan is dat de leerlingen een oppervlakkig soort kennis ontwikkelen. Ze reproduceren de definities, maar kunnen ze niet toelichten met voorbeelden.

Ongemerkt kunnen zich binnen de school processen van niveauverlaging voordoen.


Inhoudsgerichte benadering: betekeniscomponent van taal is een geschikte ingang voor taalonderwijs.

1.    Er moet een voldoende rijk, begrijpelijk taalaanbod zijn.
2.    Er moet gelegenheid zijn tot taalproductie, praten en schrijven rond de nieuwe begrippen.
3.    Feedback geven op de productie, leerlingen kunnen zo afleiden of hun uiting begrepen en correct is of bijgesteld moet worden.

Sinds eind van de jaren negentig is er gericht gewerkt aan een didactiek om binnen het vakonderwijs de taalontwikkeling te integreren.

De drie didactische principes zijn: context, interactie en taalsteun

Startpunt is expliciteren van de taalaspecten van het vakonderwijs
-       Redeneringen
-       Verbanden tussen begrippen
-       Taaltaken

Contexten geven betekenis aan het leerproces; de leerling  kan zich een beeld vormen van de situatie waarin vakinhouden worden aangeboden.

Interactie, kennis komt tot stand doordat je er met anderen over praat.

Taalsteun wil zeggen de hulp bij het begrijpen en zelf produceren van nieuwe taal in het vak.


De volgende vier onderdelen van taalbeleid zouden samen moeten leiden tot een gerichte aanpak van taal en leren in de school:

1.    Volgen taalontwikkeling van de leerlingen vanaf de binnenkomst met als doel de behoeften en effecten van het onderwijsaanbod in kaart te brengen.
2.    Uitwerken sterk curriculum Nederlands met aandacht  voor en een analyse van schoolse taalvaardigheden.
3.    Taalgerichte vakdidactiek in alle vak- en vormingsgebieden.
4.    Een gunstig taalleerklimaat scheppen en actieve rol leerlingen bevorderen.

Naast de expliciete aandacht voor taal is het belangrijk dat de leerling persoonlijke aandacht krijgt. Als docent zorg je ervoor dat je bewust en op een positieve manier contact maakt met de leerling en besteed je aandacht aan het werkklimaat.

Taalgericht vakonderwijs is er niet van de ene op de andere dag. Het vraagt tijd, inzet en energie van velen in de school.

Wat mij aan het denken zette is het gedeelte waarin aangegeven wordt dat als je de lesstof in alledaagse bewoordingen uitlegt, de kans bestaat dat de leerlingen een oppervlakkig soort kennis ontwikkelen. Ik was me daar niet van bewust. Versimpelen kan dus wel, maar je moet de schooltaal daarbij juist bewust inzetten.
Ook is het belangrijk dat collega's kennis nemen van taalgerichte vakdidactiek. dat zou een eerste stap zijn om uiteindelijk te komen tot een schoolbrede aanpak.



Hajer, M. & Meestringa, T. (2009). Handboek taalgericht vakonderwijs. Bussum: Coutinho.


Samenvatting en persoonlijke toelichting:

3.2.2    Context aanbrengen (de start)

De context oproepen en aanbrengen door:

1.    Het onderwerp zichtbaar en tastbaar maken
-       gevarieerd lesmateriaal
-       vragen oproepen bij leerlingen
-       voorwerpen en afbeeldingen bij bespreking betrekken
-       video/eigen inbreng interesse opwekken
Je zorgt er hierdoor voor dat verschillende leerstijlen en intelligenties van leerlingen worden aangesproken.

2.    Inventariseren wat leerlingen al weten
-       woordspin
-       snelschrijfopdracht
-       tabel met 3 kolommen; wat weet ik?/wat wil ik weten?/wat heb ik geleerd?
-       oriënteren door te kijken naar titel, plaatjes, tussenkoppen etc.
-       uitspraken over thema; leerlingen geven goed/fout aan

3.    Opfris- en denkvragen geven
-       richtvragen stellen
-       leerlingen in duo’s vragen laten beantwoorden
-       vragen en antwoorden over de leerstof laten matchen

4.    Een lessenreeks inkaderen
-       Actualiteit en leven buiten school erbij betrekken

5.    Schema’s gebruiken
-       woordweb
-       denkstructuren of logische relaties aangeven in een schema






4.2.1    Context aanbrengen (verwerking en verdieping)

1.    Aanvullende informatie verzamelen
-       dagbladen
-       folders
-       interviews
-       gasten uitnodigen
-       video-opnames en televisiedocumentaires
-       internet

2.    Leerlingen inbreng geven in de keuze van deelthema’s

3.    Deelactiviteiten laten samen komen in gezamenlijke uitwisseling en presentaties
-       mondelingen en geschreven verslagen
-       demonstraties
-       discussies (debat)





2.5.1    Leren in interactie

1.    Natuurlijk gesprek; wederzijdse nieuwsgierigheid en belangstelling

2.    Variatie in verwerkings- en toepassingsopdrachten
-       schrijven van korte essays en gedichten over geleerde
-       aanvullen van verhalen
-       korte presentaties geven
-       schema’s
-       uitvoeren van praktische opdrachten

3.    Samenwerkend leren







3.2.3    Interactie  uitlokken (de start)

1.    Samenwerkend leren
-       passen en meten; combinaties maken/juiste volgorde vinden
-       het snelst, het meest; competitie tussen groepen
-       denken, delen en uitwisselen
-       raadsels
-       genummerde hoofden
-       brainstormen
-       pars pro toto; elke deelnemer levert deel van -het totaalproduct
-       experts
-       complexe opdrachten

2.    Onderwijsleergesprek
-       vraag- en antwoordspel
-       wachttijd geven om antwoord te kunnen bedenken
-       verschillend perspectief



4.2.2    Interactie  uitlokken (verwerking en verdieping)

1.    Samenwerkend leren in groepjes
-       positieve wederzijdse afhankelijkheid
-       individuele aanspreekbaarheid
-       directe interactie
-       sociale vaardigheden
-       aandacht groepsprocessen

2.    Taalspellen in groepjes
-       kwartet
-       vier op een rij
-       rollenspel
-       stapelspel
-       wat-is-het-spel
-       bordspellen
-       matchen en puzzelen
-       memory en domino

3.    Klassikale besprekingen
-       begrip controleren
-       proces bespreken
-       laten nadenken

4.    Hulpgesprekken met individuele leerlingen







2.5.2    Leren met taalsteun

1.    Voordoen, laten zien en voorbeelden geven

2.    Steun bij testen en opdrachten
-       ondersteunende opdrachten
-       aanwijzingen of hulp in kantlijn
-       verwijzingen naar steun elders

3.    Monitoren en feedback geven

4.    Aandacht leerstrategieën



3.2.1    Taalsteun geven (de start)

Bij de start is het belangrijk dat je als taalsteun een goed overzicht geeft van de doelen en werkwijzen in de lessenreeks, dat je de bronnen (zoals teksten) toegankelijk maakt en dat je het uitbreiden van de woordenschat

Verschillende manieren van taalsteun bij de start:
1.    Kernbegrippen
2.    Sleutelschema’s
3.    Vrije tekst schrijven over nieuwe thema
4.    Studiewijzer
5.    Ondersteunende feedback
6.    Passende taalleerstrategieën




4.2.3    Taalsteun organiseren (verwerking en verdieping)

Bij het organiseren van taalsteun moet je de begrijpelijkheid van de bronnen en de uitvoerbaarheid van schrijf- en spreekopdrachten vergroten.

Verschillende manieren van taalsteun:

1.    Teksten zo nodig aanpassen

2.    Teksten laten verwerken
-       instructies bespreken
-       aanpak verwoorden
-       opdracht verbeteren
-       leesvragen geven
-       puzzelen met teksten
-       teksten op divers niveau
-       tekstoverzicht of tekstschema
-       informatiebronnen verbinden
-       lijst met begrippen, moeilijke woorden
-       uitleg toevoegen

3.    Visuele weergave en sleutelschema’s gebruiken

4.    Passende leerstrategieën aan de orde stellen
(schematiseren analyseren, vereenvoudigen, herhalen, betekenis verlenen etc.)

5.    Schrijfkaders gebruiken bij schrijfopdrachten

6.    Opbouwende feedback geven
-       bevestigende
-       verhelderende
-       verbeterende


5.1       Toetsen en beoordelen in taalgerichte lessen

Naast de traditionele vormen zijn er nieuwe vormen van beoordeling. Vaardigheden en reflectie op het proces krijgen hierbij de aandacht

Verschillende beoordelingsvormen:

1.    Mondelinge gesprekken
2.    Navertellen van verhalen of teksten
3.    Schrijfproducten
4.    Tentoonstellingen
5.    Experimenten en demonstraties
6.    Halfopen vragen
7.    Docent-observaties
8.    Portfolio’s



5.2       Didactische suggesties (bij afronding)

1.    Lesdoelen selecteren om te toetsen
2.    Beoordelingsvorm of instrumenten kiezen
-       Criteria voor beoordeling: 1  Transparantie
                                         2  Eerlijkheid
3.    Vragen , beoordelingscriteria of –schalen ontwikkelen
4.    Leerlingen betrekken bij instrumenten



5.3       Waar sta ik? Observatie- en zelfbeoordelingsschalen

Observatielijst taalgericht vakonderwijs: de afronding

1.    Samenhangend en gevarieerd toetsen
2.    Leerlingen formuleren zelf
3.    Samen beoordelen
4.    Voldoende taalsteun


Veel van wat ik in het boek heb gelezen is bekende stof. Taalsteun geven is iets wat ik dagelijks doe. De paragrafen over interactie uitlokken bij de start en de verwerking en verdieping van de les hebben mij wel wat nieuws opgeleverd. Er staan bruikbare ideeën bij die ik nog niet eerder in een les heb gebruikt. Ook bij het lezen van de verschillende beoordelingsvormen besefte ik dat ik meer variatie zou kunnen toepassen in de beoordelingsvormen bij mijn lessen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten